|
Linux
is voor alles een Unix
en Unix is van oudsher een systeem voor en van universiteiten.
En als zodanig is het stevig verankerd in de eeuwenoude
wetenschappelijke traditie van open communicatie en
uitwisseling. In deze omgeving worden systemen en ideeën
niet, of niet alleen, ontwikkeld om er geld mee te verdienen,
maar eerst en vooral om aanzien te verwerven binnen
de eigen groep: de peer recognition.
Unix
werd aan het einde van de zestiger, begin zeventiger
jaren ontwikkeld als een ”klein”
operating systeem dat in staat moest zijn
op de meest uiteenlopende platforms meerdere gebruikers
tegelijkertijd verschillende taken te laten uitvoeren.
Eigenlijk vanaf het begin werd de source ter beschikking
gesteld aan iedereen die er maar aan wilde prutsen.
Dat waren natuurlijk vooral de universiteiten en onderzoeksinstituten
en het is geen overdrijving om te zeggen dat de uiteindelijke
Unix het resultaat
was van honderden computerdeskundigen en ”hackers”.
Het is kenmerkend voor deze anarchistische omgeving
van wetenschappers en studenten dat er al snel een ware
cultuur van humor en sterke verhalen rond dit operating
systeem ontstond en het kwam dan ook voor velen als
een klap dat in het begin van de tachtiger jaren Unix
opeens werd gecommercialiseerd.
Het
was afgelopen met het inspecteren van de source, het
experimenteren met alternatieve algoritmes. Het logische
gevolg was dat de softwarebedrijven steeds meer een
wurggreep kregen op hun klanten: elke wijziging in de
code, elke aanpassing aan een programma moest duur worden
betaald, zonder dat de klant enig zicht had op wat zich
achter de schermen afspeelde. Microsoft en Bill Gates
zijn de voortbrengselen van deze commerciële cultuur.
Programmatuur was alleen nog maar een van de vele manieren
om geld te maken en alles werd ondergeschikt gemaakt
aan de winst. De gebruiker was volledig afhankelijk
van de grillen van de producent want hij had geen keus.
Alleen had Bill Gates begrepen wat de eigenaars van
Unix nooit hadden ingezien: dat je beter duizend systeempjes
van honderd dollar kon verkopen dan vijf van tienduizend
dollar. De bezitters van Unix hadden dat niet door en
de commercialisering van Unix leidde in korte tijd tot
de versplintering van dit operating systeem in evenveel
peperdure varianten als er hardwareplatforms voor bestonden.
En ondertussen haalde Microsoft de markt van de huiscomputer
naar zich toe.
Back
to top
|
|
Deze
commercialisering van wat in zijn ogen vrij zou moeten
zijn voor iedere gebruiker stootte een zekere Richard
Stallman zozeer tegen de borst dat hij besloot
aktie te ondernemen. Met de typisch Amerikaanse mengeling
van naïviteit en dadendrang richtte
hij al in 1984 de ”Free Software
Foundation” op. Het essentiële verschil tussen
de producten van de FSF en die van de commerciële bedrijven
was nadrukkelijk niet dat de FSF software per
definitie gratis zou moeten zijn. Maar wel dat iedereen
verplicht is om de source code van de betreffende software
altijd bij te leveren en geen enkele beperking op te
leggen aan de verdere verspreiding ervan.
Natuurlijk
werden de ideeën van Richard Stallman door de rest van
de wereld weggehoond. Dat verhinderde hem en zijn geestgenoten
echter niet om een groot aantal uitstekende softwarepakketten
te schrijven die op praktisch elke Unix konden draaien.
Vooral op universiteiten gooiden de systeemadministrators
zo snel mogelijk de commerciële versies van hun respectievelijke
Unixen overboord om daarvoor in de plaats de GNU utilities
te kunnen draaien en dat gebeurde niet uit het oogpunt
van kostenbesparing, want die commerciële applicaties
waren immers al betaald. Maar omdat de source open was,
en door honderden programmeurs over de hele wereld kon
bekeken en verbeterd worden, stak de GNU software met
kop en schouders boven de andere programmatuur uit.
Back
to top
|
|
Niettemin
zag het er in het begin van de negentiger jaren slecht
uit voor Unix. De massamarkt was door Microsoft
veroverd en de hoge prijs van de verschillende Unixen
verhinderde dat er serieus aan een Unix voor Pc’s werd
gewerkt. Alleen Microsoft had
geëxperimenteerd met een eigen Unix voor Pc’s, Xenix
geheten. Unix op de PC kon dus wel, alleen kostte een
volledige installatie toen nog 300.000 Bef. en dat kon
natuurlijk geen enkele thuisgebruiker opbrengen.
In
1991 veranderde dat dramatisch. Een Finse student, Linus
Torvalds, ergerde zich aan het feit dat zijn
favoriete besturingssysteem, Unix, niet thuis op zijn
PC kon draaien. Toen hij hoorde van Minix, een OS gemaakt
door Andy Tanenbaum
op de Vrij Universiteit in Amsterdam, kocht hij het
meteen. Minix was geïnspireerd door Unix. Linus vond
Minix vrij goed, maar het miste functionaliteit. Toen
besloot hij zelf een OS te gaan schrijven. Dit was echter
niet zijn grootste verdienste. Het geniale van Linus
Torvalds was, dat hij het op universiteiten toen al
lang populaire Internet
gebruikte, om medestanders te vinden die samen met
hem
aan een Unix voor Pc’s wilden werken en dat wilden uitbrengen
onder het GNU copyleft. We mogen immers niet vergeten
dat op een typische Linux PC met honderden megabytes
aan ”vrije” programmatuur, slechts een miniem gedeelte
van vijf- à zeshonderd Kilobytes (de kernel) echt ”Linux”
is. De rest bestaat uit software die door anderen in
het kader van het GNU copyleft is geschreven en aan
de rest van de wereld ter beschikking gesteld. En daarin
ligt de grote verdienste van Linus Torvalds: het bij
elkaar brengen van al deze bestaande stukjes tot een
coherent besturingssysteem. Een bericht van Linus uit
1991: ”Hello everybody out there using Minix - I’m doing
a (free) operating system (just a hobby, won’t be big
and professional like gnu) for 386(486) AT clones.”
Hiermee
is Unix eindelijk weer terug waar het thuishoort: in
de wereld van openheid, onderwijs en experiment, van
samenwerking en peer recognition. En het is hoopgevend
dat deze onbetaalde aandrang om erkend te worden binnen
het wereldje van hackers, programmeurs en Internet erin
geslaagd is, waar miljoenenfirma’s als IBM, SUN, Novell
en al die andere hebben gefaald: het vormen van een
serieuze bedreiging voor het gigantische Microsoft.
Ongeacht wat de toekomst brengt:
één ding is zeker. Met Linux is de geest van
vrije software definitief uit de fles en niemand zal
hem er ooit weer in terug kunnen stoppen. De GNU filosofie
van een open source, die iedereen kan bekijken en die
door iedereen kan worden aangepast en verbeterd, bestaat
al sedert 1984 en anders dan de commerciële bovenbazen
graag beweren: zij heeft niet tot versnippering geleid.
In tegendeel. De GNU software is verreweg de beste software
die er bestaat en het enige nadeel is nu nog het relatief
kleine aantal ”volks-applicaties”. Maar we lopen snel
in.
Back
to top
|